Klokkijken is een van die dingen die je zelf zo lang geleden hebt geleerd dat je niet meer weet hoe het ging. Je kijkt, je weet hoe laat het is, klaar. Voor een kind is diezelfde wijzerplaat een puzzel met twee wijzers die verschillende dingen betekenen, cijfers die twee betekenissen tegelijk hebben, en een taal waarin half zeven niet half zeven betekent maar half voor zeven. Geen wonder dat het bij de meeste kinderen niet in één middag zit.
Op school komt het meestal in groep vier en vijf aan bod, en dan is het opvallend hoeveel verschil het maakt of er thuis een klok met wijzers hangt. Dat is wat mij betreft de belangrijkste ingreep van dit hele verhaal: hang er een op, op ooghoogte, in de keuken of in de gang. Een kind dat vijftig keer per dag langs een analoge klok loopt, leert die klok half vanzelf. Een kind dat alleen digitale cijfers op een magnetron en een telefoon ziet, moet klokkijken leren als een schoolvak, en dat is een stuk taaier.
De volgorde waarin het blijft hangen
Begin bij de hele uren, en blijf daar langer dan je zou denken. Alleen de kleine wijzer telt in deze fase: staat die op de drie en wijst de grote naar boven, dan is het drie uur. Koppel dat aan wat er in huis gebeurt. Om acht uur ga je naar school, om drie uur ben je uit, om zeven uur is het bedtijd. Zolang de klok alleen een schoolopdracht is, blijft het abstract; zodra hij iets zegt over wanneer er gegeten wordt, gaat een kind er zelf naar kijken.
Daarna komt half. Dit is het punt waarop het Nederlands tegenwerkt, want half zeven ligt tussen zes en zeven in, terwijl er zeven wordt gezegd. Leg dat één keer expliciet uit en herhaal het daarna gewoon vaak: half zeven betekent dat we op weg zijn naar zeven, we zijn er half. Laat je kind de wijzers zelf zetten en zeggen wat het is, want zelf draaien werkt beter dan aanwijzen.
Pas als hele en halve uren er stevig in zitten, komen kwart over en kwart voor. Nu wordt de grote wijzer belangrijk, en daarmee ook de dubbele betekenis van de cijfers: de drie is drie uur, maar ook kwart over. Dat is voor veel kinderen het echte struikelblok, en het helpt om die twee lagen zichtbaar te maken. Een oefenklok waarop bij de cijfers ook de minuten staan neemt precies die verwarring weg. Zulke klokken liggen bij de HEMA, de Action, de Intertoys en bij de meeste webshops voor educatief speelgoed, en ze kosten weinig. Een klok van karton met twee splitpennen die je zelf maakt werkt trouwens net zo goed.
Dan de minuten, in stappen van vijf. Tellen met de tafel van vijf langs de wijzerplaat is hier de kortste route, en het is meteen een goede reden om die tafel te oefenen. Tien over, twintig over, tien voor half: het idee dat je ook vanaf de half kunt tellen komt hier voor het eerst voorbij en dat is de laatste horde. Laat een kind daarbij hardop redeneren, want dan hoor je waar het misgaat.
Als laatste leg je de digitale klok ernaast. Dat is geen aparte vaardigheid maar een vertaling: op de magnetron staat 13:45, op de klok in de gang is dat kwart voor twee. Zet ze een tijdje naast elkaar en laat je kind steeds de vertaling maken. De vierentwintiguursnotatie is voor de meeste kinderen dan opvallend makkelijk, zolang je uitlegt dat er na twaalf gewoon wordt doorgeteld.
Wat het oefenen makkelijker maakt
Wat ook opvalt zodra je erop let: kinderen die moeite hebben met klokkijken hebben dat vaak niet met de klok, maar met het idee tijd zelf. Een kwartier zegt niets als je nooit hebt gevoeld hoe lang dat duurt. Zet daarom af en toe een kookwekker of een zandloper neer bij iets alledaags, tanden poetsen, opruimen, een spelletje, en benoem daarna wat er verstreken is. Na een week weet een kind ongeveer hoe lang tien minuten aanvoelt, en pas dan gaat de wijzerplaat ergens over.
Het meeste effect komt niet uit oefenboekjes maar uit de gewone dag. Vraag hoe laat het is op momenten dat het antwoord ergens toe doet: voordat jullie weggaan, als de oven aan moet, als er nog tien minuten schermtijd over is. Laat je kind zelf de timer zetten voor de pasta, en laat het ook zelf zeggen hoe laat jullie dan klaar zijn. Dat rekenen met tijd, hoe laat is het over twintig minuten, is trouwens een stap die na het aflezen komt en die minstens zo nuttig is.
Een tweede ding dat helpt is een eigen wekker op de kamer, en dan een analoge. Kinderen die zelf kunnen zien hoe lang het nog duurt voordat ze op mogen staan, vragen dat minder vaak aan jou, en ze leren ondertussen aflezen zonder dat iemand het oefenen noemt. Dat werkt het beste als de avond een beetje voorspelbaar loopt, want dan zeggen die tijden ook echt iets. Vaste avondrituelen doen daar meer voor dan je zou denken: eten om zes uur, bad om half zeven, boek om zeven uur, dat is een dagelijkse les klokkijken zonder dat je iets uitlegt.
Oefenapps mogen ook, maar houd ze klein. Een kwartier op een tablet met een spelletje over de klok is prima, alleen leert een kind daarmee vooral het spelletje. De vertaling naar de klok in de gang moet je er zelf bij maken, anders blijft het los van elkaar staan. En laat je kind meedoen aan de planning van de dag, want tijd wordt pas interessant als je er iets aan hebt: wie mag zeggen wanneer we vertrekken, kijkt vanzelf op de klok. Dat is dezelfde beweging als kinderen meer bij het gezin betrekken, alleen dan met wijzers erbij.
Tot slot: geef het tijd, en maak er geen strijd van. Er zijn kinderen die het in een paar weken doorhebben en kinderen die er een jaar over doen, en dat zegt niet zoveel. Wat wel telt is dat je het niet in één lange sessie probeert af te ronden. Vijf keer per week een halve minuut aan de keukenklok is beter dan een half uur op zondagmiddag, en het is voor jullie allebei aanzienlijk gezelliger.