Het gaat vaak van de ene op de andere dag. Je zet je baby bij je zus of de buurvrouw op schoot, iets wat vorige week nog prima ging, en er komt meteen een hard huilbui. Thuis hangt hij ineens de hele dag aan je been. Je baby is eenkennig geworden, en dat voelt voor de meeste ouders alsof er iets misgaat terwijl er juist iets lukt.

Eenkennigheid, ook wel vreemdenangst genoemd, is een normale stap in de ontwikkeling. Ouders van Nu zette op een rij wanneer het begint en wat helpt, met een kinderfysiotherapeut die het stuk nakeek. Wij pakken vooral de twee vragen op waar ouders in de praktijk mee zitten: wat gebeurt er in dat hoofdje, en hoe maak je het afscheid bij de opvang of de oppas draaglijk.

Wat er in dat hoofdje gebeurt

Tussen de zes en negen maanden leert je baby onderscheid maken tussen bekenden en vreemden. Hij hecht zich in die periode bewust aan een klein groepje mensen: meestal de ouders, soms ook een oma, een gastouder of de vaste juf op de opvang. Iedereen daarbuiten lijkt opeens eng.

Tegelijk gebeurt er iets anders, en dat is het stuk dat het verklaart. Rond acht maanden ontdekt je kind objectpermanentie: het besef dat mensen en dingen blijven bestaan als hij ze niet ziet. Hij snapt nu dus dat jij ergens bent als je de kamer uit loopt. Wat hij nog niet snapt, is dat je terugkomt. En hij kan nog niet zelf naar je toe lopen om dat te controleren.

Zo bekeken is dat gehang aan je been geen achteruitgang maar het bewijs van een grote sprong. Je kind kan je nu missen, en dat kon hij eerder niet. Dat het voor jou een lastige fase is, verandert daar niets aan.

Hoe lang duurt het

De eerste tekenen zitten meestal tussen de zes en negen maanden, de piek ligt volgens Ouders van Nu iets later, tussen de acht en achttien maanden. Hoe lang het daarna aanhoudt, verschilt sterk: bij het ene kind een paar weken, bij het andere maanden. De meeste kinderen zijn er rond hun derde verjaardag helemaal vanaf, en een enkeling heeft er op de kleuterschool nog last van.

Hoe heftig het is, hangt vooral af van het karakter van je kind. Een kind dat sneller onzeker is, heeft er meer last van dan een kind dat makkelijk meebeweegt met verandering. Daar valt weinig aan te sturen. Aan de manier waarop je ermee omgaat wel, en dat scheelt in de praktijk het meeste.

Het afscheid: wat werkt en wat juist niet

Dit is waar het voor ouders knelt, want een huilende baby achterlaten bij de opvang voelt verkeerd, ook als je weet dat het bij de fase hoort. Wat helpt:

  • Bouw op. Begin met een paar uur wennen, niet meteen een hele dag. Dat geldt net zo goed voor een nieuwe oppas als voor de crèche.
  • Maak er een vast ritueel van. Kort, altijd hetzelfde, altijd in dezelfde volgorde: jas uit, knuffel, zwaaien bij het raam. Je kind gaat het herkennen, en dan komt het afscheid niet meer uit de lucht vallen.
  • Ga niet stiekem weg. Het is verleidelijk om weg te glippen als je kind even is afgeleid, en op dat moment scheelt het inderdaad tranen. Maar je kind ontdekt later dat je zomaar verdwenen bent, en dat maakt de angst dat het weer gebeurt juist groter.
  • Zeg altijd dat je weggaat en terugkomt. Ook thuis, ook als je alleen naar de wc gaat. Dat is precies het oefenmateriaal dat je kind nodig heeft.
  • Blijf praten of zingen vanuit de andere kamer. Loop je naar de keuken en begint het huilen, laat dan af en toe je hoofd om de hoek zien. Zo merkt hij dat je er nog bent, ook zonder dat hij je ziet.

Een tip die klinkt als een spelletje maar het niet is: speel kiekeboe. Verstop een speeltje en haal het weer tevoorschijn, of verberg je gezicht achter een doek. Je oefent daarmee letterlijk het idee dat iets wat weg is, terugkomt. De meeste baby’s vinden het bovendien geweldig.

Komt er bezoek, zeg dan bij binnenkomst even dat je kind wat eenkennig is. Dan tilt niemand hem meteen enthousiast op, en kan hij vanaf jouw schoot zelf beslissen wanneer hij loskomt. Forceren werkt averechts, maar situaties vermijden ook: je kind heeft juist die kleine, veilige oefenmomenten nodig om te ontdekken dat het meevalt.

Alleen mama, of alleen papa

Een variant die minstens zoveel vragen oplevert: je kind wil opeens uitsluitend door één ouder getroost worden. Meestal is dat de ouder die het meeste voor hem zorgt en het vaakst thuis is. Het is geen afwijzing van de ander, hoe rot het ook voelt als je kind bij jou begint te huilen en bij je partner stopt.

Wat helpt is de verzorging afwisselen: de ene avond breng jij hem naar bed, de andere avond je partner. Niet omdat je iets moet bewijzen, maar omdat je kind zo ervaart dat het bij allebei goed voelt.

Wanneer je je zorgen maakt

Eenkennigheid hoort erbij en gaat vanzelf over. Twijfel je toch, bijvoorbeeld omdat je kind ook bij jou nauwelijks tot rust komt, blijft eten en slapen langdurig ontregeld of maak je je zorgen over de ontwikkeling, leg het dan voor aan het consultatiebureau. Dat is precies waarvoor die afspraken bedoeld zijn, en je hoeft er niet mee te wachten tot het volgende geplande moment.

En troost: een aanhankelijke baby is geen verwende baby. Hij vraagt om nabijheid omdat hij die nodig heeft, en die geven maakt het niet erger. Gaat je kind binnenkort naar de opvang, dan lees je in wennen op de kinderopvang hoe lang die periode gemiddeld duurt, en waar je op let bij de inrichting van een groep staat in dit stuk.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You May Also Like