Het gesprek over pesten begin je het makkelijkst niet met de vraag of je kind gepest wordt. Die vraag krijgt bijna altijd “nee” als antwoord. Beter werkt een vraag over de klas, over wie met wie speelt en over wat er in de pauze gebeurt. Deze week is daar een goed moment voor. Van maandag 21 tot en met vrijdag 25 september is het de Week tegen Pesten, dit jaar met het thema “Een plek voor iedereen! Toch?”. Op duizenden scholen, van basisschool tot mbo, wordt er in de klas over gepraat. Als je kind er thuis iets over vertelt, heb je meteen een opening.
Waarom juist nu
De organisator, Stichting School & Veiligheid, hamert erop dat een veilige klas begint in de eerste weken na de zomervakantie. Dan vormt de groep zich, en dan ontstaan de rollen die de rest van het jaar blijven hangen. Kek Mama wees er deze week op dat pesten minder vaak voorkomt op scholen waar leerlingen zich verbonden voelen met elkaar en met hun school. Kinderen die zich geaccepteerd voelen door klasgenoten, pesten zelf ook minder.
Dat het onderwerp kinderen zelf bezighoudt, blijkt uit het jongerenadvies 2025 van UNICEF. Daarin stond pesten voor het tweede jaar op rij bovenaan de lijst met zorgen van jongeren. Ze noemen vooral school als plek waar het gebeurt, en ze maken zich zorgen over sociale media, waardoor pesten nog makkelijker en onzichtbaarder wordt. Buitensluiten noemen ze als een verborgen vorm.
Dat laatste vind ik het belangrijkste punt voor ouders. Uitschelden of duwen hoor je vaak nog wel. Dat je kind in de pauze steeds alleen staat, of als enige niet in de groepsapp zit, vertelt het veel minder snel. Juist daarom loont het om het gesprek zelf te beginnen, ook als er niets aan de hand lijkt.
Zo begin je het gesprek
Een paar dingen maken het een stuk makkelijker. Praat naast elkaar in plaats van tegenover elkaar, bijvoorbeeld in de auto, op de fiets of tijdens het koken. Kies een rustig moment en niet het moment waarop je kind moe uit school komt. En stel vragen waar geen ja of nee op past.
Deze gespreksstarters kun je deze week gebruiken.
- “Hebben jullie het op school over de Week tegen Pesten gehad? Wat hebben jullie gedaan?” Een neutrale opening die over de les gaat en niet over je kind zelf.
- “Het thema is een plek voor iedereen. Heeft iedereen in jouw klas een plek, denk je?” Zo praat je kind over anderen, en vaak komt daar vanzelf iets over zichzelf bij.
- “Met wie speel je het liefst in de pauze? En wie speelt er meestal alleen?” Je hoort wie de vrienden zijn en of je kind ziet wie er buiten valt.
- “Wat gebeurt er als iemand in jouw klas wordt uitgelachen? Wat doet de juf of meester dan?” Je leert hoe de school ermee omgaat, zonder dat het een verhoor wordt.
- “Zit je in een groepsapp van de klas? Gaat het daar gezellig of wordt er ook wel eens iemand buitengesloten?” Voor oudere kinderen, omdat veel pesten zich naar de telefoon heeft verplaatst.
- “Als er ooit iets naars gebeurt, wil je dat ik dan meteen iets doe of eerst alleen luister?” Een vraag die veel kinderen geruststelt. Ze zijn vaak bang dat een ouder direct naar school stapt.
Die laatste vraag is misschien wel de belangrijkste. Kinderen houden pesten vaak voor zich omdat ze bang zijn dat het erger wordt als een volwassene ingrijpt. Wie vooraf afspreekt dat vertellen niet automatisch betekent dat er iets gebeurt, maakt de drempel lager.
Als je kind iets vertelt
Blijf rustig, ook als het verhaal je raakt. Laat je kind uitpraten en vat samen wat je hoort. Zeg dat het goed is dat het dit vertelt, en dat het niet de schuld van je kind is. Vraag daarna wat je kind zelf zou willen. Soms is dat alleen luisteren, soms een gesprek met de leerkracht.
Schrijf voor jezelf op wat er gebeurde en wanneer. Als je later naar school stapt, helpt het om concreet te zijn. Doet de school daarna niets, lees dan ons stuk over wat je als ouder kunt afdwingen als de school niets doet. Scholen zijn wettelijk verplicht om te zorgen voor een veilige omgeving.
En als je kind zelf meedoet
Het ongemakkelijke deel van dit gesprek is dat je kind ook aan de andere kant kan staan. Dat hoeft geen grote pestkop te zijn. Vaker gaat het om meelachen, niet opkomen voor een klasgenoot of iemand niet uitnodigen omdat de rest dat ook niet doet. Vraag daar net zo open naar. “Heb je wel eens meegelachen terwijl je eigenlijk vond dat het niet leuk was?” is een vraag waar veel kinderen eerlijk op antwoorden, zeker als je vertelt dat jij dat vroeger ook wel eens deed.
Scholen die met een programma als KiVa werken, richten zich juist op die groep van meelopers en toeschouwers. Het idee is dat pesten stopt als de rest van de klas het niet meer normaal vindt. Dat kun je thuis ondersteunen door je kind te laten merken dat voor iemand opkomen iets is om trots op te zijn.
Waar je kind zelf terechtkan
Niet elk kind wil erover praten met een ouder, en dat is niet erg. De vroegere site Pestweb bestaat niet meer. Stichting School & Veiligheid verwijst kinderen en jongeren nu door naar De Kindertelefoon, waar ze anoniem kunnen bellen en chatten, en naar Chris voor tieners. Bij online pesten of grensoverschrijdend gedrag op internet kunnen ze terecht bij Meldknop en Offlimits. Het helpt als je kind die namen kent voordat het ze nodig heeft. Zet De Kindertelefoon gerust samen op de telefoon of tablet.
De Week tegen Pesten duurt maar vijf dagen, maar het gesprek hoeft daar niet mee op te houden. Eén keer per jaar vragen hoe het in de klas gaat is weinig. Maak er een gewone vraag van, net als hoe de gymles was.