Een vakleerkracht humanistisch vormingsonderwijs (HVO) speelt in groep 7 een simpel spel. Ze leest zinnen voor, en wie zich erin herkent, gaat staan. Bij de zin wie van dansen houdt, staat een meisje als enige op. Een paar jongens lachen. Silvie Ratten beschreef het moment op 11 oktober voor J/M Ouders, en wat er daarna gebeurde zegt veel over hoe vroeg kinderen al weten wat bij jongens en wat bij meisjes hoort.
Want toen de juf zonder oordeel vroeg waarom de jongens lachten, bleek het niet om uitlachen te gaan. Een jongen zei dat dansen iets voor meisjes is. Een ander gaf toe dat hij het eigenlijk ook leuk vindt, maar niet durfde te gaan staan. En op de vraag waar dat idee vandaan kwam, antwoordde een jongen eerlijk, “als ik thuis dans, dan zeggen papa en mama dat het voor meisjes is.”
Wat dit moment laat zien
Het mooie aan het voorbeeld is dat het niet over een pestincident gaat, maar over iets wat in elke klas speelt. Het meisje durfde op te staan en kreeg gegrinnik terug. Een jongen die hetzelfde voelde, bleef zitten. Allebei leren ze op zo’n moment iets over wat je wel en niet laat zien. Het thema van de Kinderboekenweek van dit jaar ging juist over in de spotlight staan, en dit is daar een heel herkenbare kant van.
Ook mooi is dat de groep het zelf rechtzette. Andere kinderen, jongens en meisjes, zeiden dat niets alleen voor meisjes of alleen voor jongens is, en dat je gewoon moet doen wat je leuk vindt. Kinderen kunnen dat gesprek prima voeren, als iemand ze de ruimte geeft.
Kinderen pikken het vroeg op
Dat ideeën over jongens- en meisjesdingen jong ontstaan, is geen nieuws voor wie het onderzoek volgt. Sociaal psycholoog Belle Derks beschreef samen met Tamar Saguy in Sociale Vraagstukken (2019) onder meer onderzoek waaruit bleek dat zesjarigen al denken dat jongens beter zijn in techniek en programmeren. Maar ook dat een korte, leuke ervaring met programmeren de interesse van meisjes flink deed stijgen. Zulke ideeën zitten er dus vroeg in, maar ze liggen niet vast.
Waar kinderen dat leren? Uit speelgoedfolders, series en het schoolplein, maar ook gewoon thuis. Niet omdat ouders het er bewust in stoppen, maar via kleine zinnetjes die je zelf nauwelijks hoort. Wat stoer, wat lief. Jongens huilen niet. Dat is meer iets voor je zus. De jongen uit groep 7 laat zien hoe hard zo’n opmerking aankomt.
Zo praat je er thuis over
Je hoeft geen preek te houden. Een paar gewoontes doen meer dan een groot gesprek.
- Luister naar je eigen zinnetjes. Betrap je jezelf op dat is voor meisjes of daar ben je toch een jongen voor, dan kun je dat later gewoon benoemen. Eigenlijk klopt dat niet, wat ik zei.
- Vraag terug in plaats van te verbeteren. Zegt je kind dat iets voor meisjes is, vraag dan wie dat zegt en wat het er zelf van vindt. Kinderen komen vaak zelf bij het antwoord, net als in die klas.
- Laat voorbeelden zien. Kijk samen naar dansende jongens en mannen, van breakdance tot ballet, en naar vrouwen die voetballen of iets bouwen. Wat een kind ziet, wordt gewoon.
- Doe zelf mee. Dansen in de keuken, samen klussen, samen koken. Als vader en moeder allebei alles doen, hoeft niemand het uit te leggen.
- Geef ruimte aan wat je kind leuk vindt. Wil je zoon op dansles of je dochter op judo, kijk dan vooral naar het plezier en niet naar wat de buren denken.
Weerbaar maken, aan twee kanten
Weerbaarheid gaat hier over twee kinderen tegelijk. Het meisje dat opstaat en wordt uitgelachen, en de jongen die blijft zitten omdat hij niet uitgelachen wil worden.
Voor het kind dat iets leuk vindt wat niet in het plaatje past, helpt het om samen een antwoord te oefenen. Een simpele zin als ik vind het gewoon leuk, of iedereen mag dansen, is genoeg. Het hoeft niet gevat te zijn, het moet vooral rustig klinken. Vertel ook dat lachen van anderen meer zegt over hun onzekerheid dan over jou.
Voor het kind dat meelacht is het gesprek minstens zo belangrijk. Vraag wat er zo grappig was en hoe het voor de ander voelde. Vaak blijkt, net als in groep 7, dat de lacher er zelf ook mee worstelt. Wil je het breder trekken naar hoe kinderen elkaar laten zijn wie ze zijn, dan is ons stuk over Paarse Vrijdag en het gesprek thuis een goed vervolg.
Wat ons betreft is dit misschien wel het belangrijkste lesje uit die ene les. Een kind dat thuis hoort dat dansen voor iedereen is, staat de volgende keer misschien wel op. En een kind dat thuis leert vragen in plaats van lachen, maakt het voor een ander makkelijker om dat te doen.



