Je kind zit met een rood hoofd boven een puzzel die niet wil passen. De rits van de jas blijft haken. De toren van blokken valt voor de derde keer om. En voor je het weet, heb jij het stukje al op de goede plek gelegd, de rits dichtgetrokken en de toren opnieuw gebouwd. Het tranendal is voorbij, iedereen weer blij. Toch is dat redden volgens een bekende kinderpsycholoog precies wat het zelfvertrouwen van je kind ondermijnt.
Wat de psycholoog zegt
Kek Mama schreef op 7 oktober over de uitspraken van de Amerikaanse psycholoog Becky Kennedy, op sociale media bekend als Dr. Becky. In het stuk over deze goedbedoelde gewoonte legt ze uit waar het misgaat. Ouders verwarren zelfvertrouwen met je goed voelen. Als je kind blij is, denk je dat het lekker in zijn vel zit, dus haal je elk ongemak zo snel mogelijk weg.
Maar zelfvertrouwen ontstaat volgens Kennedy op een andere manier. Je krijgt het door jezelf iets te zien doen waarvan je dacht dat je het niet kon. Een kind dat nooit door frustratie heen hoeft, krijgt die ervaring niet. Het leert eerder dat een moeilijk moment iets is waar een volwassene je uit moet halen. Op de korte termijn lijkt redden dus lief, op de lange termijn maakt het kinderen juist kwetsbaarder.
Kennedy werkt aan een project rond zelfvertrouwen bij kinderen met kledingmerk Carter’s. Daarvoor werden in de Verenigde Staten 419 ouders van kinderen tussen 2 en 10 jaar ondervraagd. Volgens de berichtgeving over dat onderzoek zag 78 procent van de ouders hun kind iets veranderen aan wat het doet, leuk vindt of kiest, uit angst voor wat anderen ervan vinden. Het gaat om een Amerikaanse peiling, dus het zegt niets over hoe dat bij Nederlandse kinderen ligt, maar het laat wel zien dat onzekerheid al jong begint.
Waarom je toch steeds ingrijpt
Eerlijk is eerlijk, het is ook gewoon moeilijk om aan te zien. Een kind dat huilt van frustratie raakt je, en vaak heb je haast. De jas moet aan, want je moet naar school. Ingrijpen is dan sneller dan wachten. Bovendien voelt het als goed ouderschap. Je ziet een probleem, je lost het op.
Het helpt om het anders te zien. Dat ongemakkelijke moment waarin je kind worstelt, is geen probleem dat weg moet. Het is precies het moment waarop het leert dat het meer kan dan het dacht. Jouw rol is dan niet die van redder, maar van iemand die ernaast zit en vertrouwen uitstraalt.
Wat je beter kunt doen als je kind vastloopt
Je hoeft je kind niet in zijn sop gaar te laten koken. Het gaat erom dat je het gevoel erkent, maar het probleem niet meteen overneemt.
- Benoem wat je ziet. Zeg niet dat het makkelijk is, maar erken dat het lastig is. “Dit is echt moeilijk, hè.”
- Laat merken dat je erin gelooft. Kennedy gebruikt zelf een zin die je in je achterhoofd kunt houden, “ik geloof je, en ik geloof ook in jou”. Je neemt het gevoel serieus en zegt tegelijk dat je kind het kan.
- Vraag in plaats van te doen. “Wat kun je nog proberen?” of “Welk stukje past misschien wel?” zet je kind zelf aan het denken.
- Geef een kleine duw, niet de oplossing. “Kijk eens naar de rand van de puzzel” helpt verder zonder dat jij het overneemt.
- Prijs het proberen. Zeg niet alleen “goed zo” als het lukt, maar ook “je bleef het gewoon proberen” als het nog niet gelukt is.
- Verdraag een beetje stilte. Tel in je hoofd tot tien voordat je iets zegt of doet. Vaak komt je kind in die tijd zelf verder.
Lukt het echt niet en loopt de frustratie hoog op, dan mag je natuurlijk helpen. Doe het dan samen, met jouw handen naast die van je kind in plaats van eroverheen. Of stel voor om even te pauzeren en het straks opnieuw te proberen. Ook dat is een les, want je kind ziet dat een probleem niet meteen opgelost hoeft te worden.
Zinnen voor thuis
Het is makkelijker om anders te reageren als je de woorden al klaar hebt. Een paar zinnen die je kunt gebruiken.
- “Ik zie dat je boos wordt. Dat snap ik, dit is lastig.”
- “Je hoeft het niet in één keer goed te doen.”
- “Wat heb je al geprobeerd?”
- “Zal ik even naast je komen zitten?”
- “Weet je nog dat fietsen eerst ook niet lukte?”
Die laatste zin werkt vaak goed bij wat oudere kinderen. Je herinnert ze aan iets wat ze eerst niet konden en nu wel. Dat is precies het bewijs waar zelfvertrouwen op draait.
Klein beginnen
Je hoeft niet van de ene op de andere dag elk reddingsmoment over te slaan. Begin bij de situaties waarin je tijd hebt, in het weekend of ’s middags na school. Laat je kind zelf de veters proberen, het brood smeren of het lego-bouwwerk afmaken, ook als het scheef wordt. Het kost je wat geduld en soms een paar tranen. Maar een kind dat merkt dat het een moeilijk moment zelf doorstaat, neemt dat gevoel mee naar het schoolplein en de klas. Dat is meer waard dan een puzzel die snel af is.



