Deze maand kwam het PISA-2025-rapport uit, het internationale onderzoek dat elke paar jaar de prestaties van vijftienjarigen vergelijkt. Voor Nederland is de uitkomst op leesvaardigheid slecht: 39 procent van de Nederlandse vijftienjarigen scoort onder vaardigheidsniveau 2, tegen gemiddeld 29 procent in de Europese Unie. Cyberjuf Annuska van den Eijnden legt in haar column bij J/M Ouders uit waarom dat niet alleen een schoolprobleem is.
Waarom zwak lezen ook online een probleem is
Onder niveau 2 scoren betekent dat een leerling door zwakke taal- en leesvaardigheid minder goed meekomt op school en in de maatschappij, en het risico loopt laaggeletterd het onderwijs te verlaten. Dat is het bekende deel van het verhaal.
Het deel dat er in die column bij komt, gaat over het scherm. Wie moeite heeft met lezen, kan ook moeilijker goede zoektermen bedenken, begrijpt online teksten minder goed en weet daardoor minder goed op welke knop hij moet drukken. En wie een tekst niet helemaal snapt, gaat er sneller van uit dat die wel zal kloppen. Precies daar gaat online oplichting werken. Uit onderzoek van het ministerie van Justitie en Veiligheid uit 2025 blijkt bovendien dat jongeren zichzelf overschatten in het herkennen van nep en echt, en met AI worden phishingberichten steeds overtuigender.
Dat overschatten is niet nieuw. In een publieksrapport van de Nationale Bibliotheek uit 2021 haalde slechts 39 procent van de tien- tot vijftienjarigen een score die als voldoende digitaal vaardig geldt, terwijl volgens het CBS in 2025 96 procent van de Nederlanders van twaalf jaar en ouder dagelijks online is. Vaardigheid en weerbaarheid versterken elkaar, schrijft Van den Eijnden, en dat klopt ook andersom: een kind dat online verdwaalt in een tekst, is daar ook niet weerbaar.
Wat je thuis kunt doen
De Leescoalitie van de Nationale Bibliotheek roept de politiek op om leesvaardigheid prioriteit te maken, en benadrukt daarbij dat het om een gezamenlijke inspanning gaat: school, overheid én thuis. Dat laatste woord is waar het voor ons over gaat, en het betekent niet dat je juf moet gaan spelen.
Het advies uit de column is om het gesprek over online gevaren op tijd te voeren, want kinderen in de basisschoolleeftijd staan meer open voor suggesties en adviezen dan pubers. Wacht dus niet tot de eerste telefoon er is. Ga er ook van uit dat je kind meer denkt te weten dan het weet, en vraag door in plaats van te waarschuwen: laat het eens hardop uitleggen waarom het denkt dat een bericht echt is.
Verder is het simpelste wat je thuis kunt doen ook het effectiefste, en dat is samen blijven lezen. Dat je daarmee stopt zodra je kind het zelf kan, is een reflex waar veel gezinnen in trappen, terwijl doorgaan met voorlezen na groep 3 juist veel oplevert. Een kind dat zelf kan lezen, kan namelijk nog lang niet alles lezen wat het wil begrijpen.
Het moment ligt er trouwens gunstig bij: de Kinderboekenweek begint op 30 september, dit jaar met het thema Spot aan!. Dat is voor de meeste kinderen de enige week van het jaar waarin lezen op school iets feestelijks is, en dat is een kans waar je thuis op mee kunt liften zonder dat je er iets voor hoeft te organiseren.
En de politiek
Dat de Leescoalitie geld vraagt, is gisteren voor een deel beantwoord. In de Miljoenennota staat ruim een half miljard euro extra vanaf volgend jaar voor het verbeteren van lezen, taal en rekenen, en scholen worden verplicht dat geld daadwerkelijk aan die basisvaardigheden uit te geven. Wat er verder voor gezinnen in de begroting staat, zetten we hier op een rij.
Of dat bedrag iets doet, merk je pas over een paar jaar in het volgende PISA-rapport. Tot die tijd is het thuis geregeld: niet met een leesprogramma, maar met een boek dat je kind zelf wil en een ouder die blijft vragen wat er staat.