Een vaste oppasdag, een tas met kleertjes die opa en oma nog hadden liggen, en ondertussen even vertellen hoe het vroeger ging. Voor heel veel gezinnen zijn grootouders onmisbaar. Toch vindt bijna een op de drie ouders het niet prettig als hun (schoon)ouders zich met de opvoeding bemoeien. Dat blijkt uit onderzoek van Made for Moments, waarover Kek Mama schreef. Hoe kan dat, dat je dankbaar bent voor de hulp en je tegelijk ergert? En hoe maak je afspraken zonder dat het op ruzie uitloopt?
Wat het onderzoek laat zien
Voor het onderzoek werden 587 ouders ondervraagd. Bijna allemaal krijgen ze op een of andere manier hulp van opa en oma, 96 procent zegt ondersteuning te ontvangen. Slechts 3,5 procent krijgt op geen enkel vlak hulp. Die hulp is breder dan oppassen. Grootouders geven tips, emotionele steun en soms financiële hulp, kopen of lenen spullen uit, rijden kinderen rond, helpen in het huishouden, klussen in en om het huis en springen bij als er iemand ziek is of er iets misgaat.
Maar dan de keerzijde. 31 procent van de ouders vindt het niet prettig als grootouders zich met de opvoeding bemoeien. Daartegenover staat een grotere groep van bijna 44 procent die het juist fijn vindt als opa en oma meedenken. En een kwart van de ouders zou zelfs graag meer hulp krijgen.
Waar grootouders zich mee bemoeien, is ook breed. Het onderzoek noemt de naam van de baby, religieuze of culturele opvoeding, leefstijl, geldzaken, kleding en uiterlijk, vakanties, medische keuzes en voeding. Er zijn ook verschillen per provincie. In Groningen vindt 61 procent het prettig dat grootouders meedenken, in Flevoland 57 procent. In Limburg zegt 40 procent de bemoeienis juist niet prettig te vinden.
Een kanttekening hoort erbij, en die maakt Kek Mama zelf ook. Met 587 deelnemers is het een relatief kleine groep, dus de uitkomsten zijn niet zonder meer representatief voor alle ouders in Nederland. Zeker de cijfers per provincie zijn op weinig mensen gebaseerd. Het beeld dat eruit komt, zal veel ouders toch bekend voorkomen.
Waarom hulp en bemoeienis zo dicht bij elkaar liggen
Het lastige is dat hulp en bemoeienis vaak uit dezelfde hoek komen. Wie elke woensdag oppast, ziet je kind een hele dag en heeft daar een eigen manier voor. Dat is logisch, en vaak ook fijn. Maar het betekent ook dat opa en oma keuzes maken die jij anders zou maken, over een middagdutje, een snoepje of hoe lang de tablet aan mag.
Daar komt bij dat grootouders zelf kinderen hebben grootgebracht. Hun advies komt uit ervaring, en het voelt voor hen als een gift. Voor jou kan dezelfde opmerking voelen als kritiek op hoe jij het doet. Zeker in het eerste jaar met een baby, als je toch al twijfelt, komt een goedbedoeld “wij deden dat vroeger anders” harder binnen dan bedoeld.
En dan is er de afhankelijkheid. Als opa en oma een vaste oppasdag draaien, scheelt dat opvang en geeft het rust. Juist daardoor durven veel ouders minder snel iets te zeggen. Je wilt de hulp niet kwijt, dus slik je de ergernis in. Tot het een keer misgaat over iets kleins.
Wat ons betreft zit de oplossing niet in minder hulp, maar in duidelijker afspraken. De meeste ergernis ontstaat niet door slechte bedoelingen, maar doordat niemand heeft uitgesproken wat er verwacht wordt.
Zo maak je afspraken zonder ruzie
- Kies je moment. Begin het gesprek niet direct na een irritatie of bij het ophalen, als iedereen moe is. Spreek een rustig moment af, liefst zonder de kinderen erbij.
- Begin met waardering. Zeg eerst wat de hulp voor jullie betekent. Dat is geen trucje, het is meestal gewoon waar. En het maakt de rest van het gesprek makkelijker.
- Bepaal wat echt belangrijk is. Niet alles hoeft hetzelfde als thuis. Kies de paar dingen waar je niet over wilt onderhandelen, zoals veiligheid in de auto, medicijnen, allergieën of slaaptijden bij een baby. Laat de rest los. Een extra koekje bij oma maakt een kind niet minder goed opgevoed.
- Zeg het als ik-boodschap. “Ik merk dat ik onzeker word als ik vaak hoor hoe het anders moet” werkt beter dan “Jullie bemoeien je overal mee”.
- Laat ieder met de eigen ouders praten. Gaat het om je schoonouders, laat dan je partner het gesprek voeren. Kritiek komt beter binnen van een eigen kind dan van een schoondochter of schoonzoon.
- Leg praktische afspraken vast. Een lijstje op de koelkast bij opa en oma met slaaptijden, eten en wat er mag op de tablet voorkomt veel discussie. Dan gaat het over het lijstje, niet over wie gelijk heeft.
- Vraag ook om hun advies. Grootouders die het gevoel hebben dat hun ervaring telt, geven minder ongevraagd advies. Vraag af en toe gewoon hoe zij iets zouden aanpakken.
En als je juist meer hulp wilt
Een kwart van de ouders zou graag meer hulp krijgen, en dat verdient ook aandacht. Volgens het onderzoek is die wens in Flevoland het grootst, waar 42,9 procent meer ondersteuning zou willen, gevolgd door Limburg met 40 procent. In Zuid-Holland, Noord-Holland en Drenthe zeggen ouders het vaakst dat ze helemaal geen hulp krijgen, maar daar is de behoefte aan extra hulp ook het kleinst.
Wil je meer hulp, zeg dat dan ook. Grootouders weten vaak niet wat je nodig hebt, of willen zich niet opdringen. Wees concreet. “Zou jij op donderdag de kinderen uit school willen halen?” is makkelijker om ja op te zeggen dan “Jullie mogen best vaker komen”. En houd er rekening mee dat opa en oma ook hun eigen leven hebben. Hulp werkt het best als het voor beide kanten goed voelt.
Uiteindelijk gaat het om de kinderen. Een warme band met opa en oma is voor de meeste kinderen een groot cadeau. Een paar heldere afspraken zorgen ervoor dat jij die band ook van harte gunt, zonder dat je je elke woensdag zit te ergeren.



